Om de bezienswaardigheden van Reykjavik te begrijpen, is het handig om wat van de geschiedenis van Reykjavik te weten. Ingolfur Arnarson was de eerste kolonist die zich vestigde in IJsland. Dit was omstreeks het jaar 877. Hij heeft de stad Reykjavik genoemd wat rookbaai betekent. Hij zag een grote wolk stoom verschijnen uit de hete bronnen. Zijn standbeeld is nu nog terug te vinden in Laekjartorg. Reykjavik bestond vroeger uit een paar boerderijen. Pas rond de 18e eeuw trokken er meer mensen naar het dorp. Men centreerde zich rond de wolweverij en touwfabriek. Werkgelegenheid was de grootste reden dat Reykjavik van een dorp uitgroeide tot een stad.

Stadsrechten

Pas in 1786 kreeg Reykjavik stadsrechten. Er woonden toen zo’n 170 mensen in Reykjavik. Decennia later verhuisde regeringszetels en onderwijsinstanties naar de hoofdstad. In 1911 werd de Universiteit van IJsland geopend. Op dit moment woont nog steeds zestig procent van de bevolking in en rondom de hoofdstad. Werkgelegenheid is nog steeds de grootste reden waarom IJslanders nabij de hoofdstad wonen. In het binnenland wonen vooral schapenherders of IJslanders die zich richten op het toerisme dat tot op de dag van vandaag nog steeds groeiende is.

De achternamen

De achternamen van de IJslanders kun je tot de dag van vandaag nog steeds herkennen aan de achternaam van Ingolfur Arnarson. In IJsland is het gebruikelijk om het woord zoon van, son, te gebruiken bij de achternaam. Ingolfur is de zoon van Arnar, Arnarson. De voornaam van de kinderen wordt zelf gekozen door de ouders, de achternaam is afhankelijk van de voornaam van de vader. Een dochter krijgt dóttir achter de naam. Stel Ingolfur Arnarson had een dochter Helga genaamd, dan heette zij Helga Ingolfurdóttir. Tussen 1913 en 1925 mochten families even kiezen of zij gebruik wilden maken van patroniemen of van familienamen.